<?xml version="1.0" encoding="UTF-8" standalone="yes"?>
<article Literator_407=""><bibl><publisher><pub_name>AOSIS OpenJournals</pub_name><pub_url>www.openjournals.net</pub_url><pub_mail>info@openjournals.net</pub_mail><journal_website>http://www.literator.org.za</journal_website></publisher><issn><issn_print>0258-2279</issn_print><issn_web>2219-8237</issn_web></issn><title><article_title>Bentlage</article_title></title><aug><au><author_name>Willem van Toorn </author_name><author_affiliation>Private</author_affiliation></au></aug><correspondence><corresponding_email>willem.vantoorn@gmail.com</corresponding_email><corresponding_postal_address>Le Petit Jouhet 36230, Saint-Denis-de-Jouhet, France</corresponding_postal_address></correspondence></bibl><xref><article_id>407</article_id><volume>33</volume><issue>2</issue><doi>10.4102/lit.v33i2.407 </doi></xref><history><dates><recieved_date>17 Mar. 2012</recieved_date><accepted_date>16 Apr. 2012</accepted_date><published_date>12 Dec. 2012</published_date></dates><citation><text>Van Toorn, W., 2012, ‘Bentlage’, Literator 33(2), Art. #407, 1 page. http://dx.doi.org/10.4102/lit.v33i2.407 </text></citation></history><copyright><year>© 2012.</year><statement>The Authors. Licensee: AOSIS OpenJournals. This work is licensed under the Creative Commons Attribution License.</statement></copyright><body><paragraph>Zetstukken van de herfst in beeld geschoven waar je maar kijkt: wijnrode muren van hoeven,  vergulde  akkers, dwarrelend blad. Hoe slim</paragraph><paragraph>je ook over je schouder spiedt – nergens verkeerde schaduwval, geen naad te zien waar een kier is geplakt. Je loopt erin. </paragraph><paragraph>Theater vroom van najaar. Scherp tot in de verste diepte. Maar een vermoeden van iets hoogst ongeziens waar je haast U tegen  zou zeggen als je niet beter wist.</paragraph><paragraph>Het klooster door een oude kinderhand uitgeknipt wit tegen de achterwand.</paragraph><paragraph>Avond. Uilen nog niet, maar diep in holle paden lichtjes van lampions en dunne kinderstemmen voor alle zielen die onze troost behoeven</paragraph><paragraph>omdat ze zonder woning zijn. Of willen wij juist in dit zo Duitse laagland zeker weten dat death shall have no dominion, in de woorden van</paragraph><paragraph>een dode dichter?  Hoor, een vos. De uilen nu plotseling dichtbij. Als je nog stiller bent de kinderen: Ruh’n in Frieden alle Seelen. </paragraph><paragraph>Maar zijn dit wel de kinderen, is dit niet het zingen van de stoet lieve doden in ons hoofd, of  van U?</paragraph><paragraph>Lanen uit alle richtingen. Er schijnt een wet te zijn omtrent waarschijnlijkheid die niet verbiedt dat in het web van kruisingen in een verleden</paragraph><paragraph>ik U had kunnen treffen voor een gesprek over het eeuwige leven of een heilig iets dat deel is van de geest van deze plek. Nu loop</paragraph><paragraph>ik met mijn kleine hond door het gevallen blad het pad af naar de poort. Onze vrouw die daar wacht heeft ons voor altijd op de foto vastgelegd.</paragraph><paragraph>U blijft hier buiten beeld en ongezegd. </paragraph><paragraph>‘Je beenderen zullen hier als bloemen bloeien’. Klaar ben je, levende bezoeker. De relikwieëntuin, hoofdschedelplaats, hortus conclusus,  zit in een glazenkast.</paragraph><paragraph>Van wat ook levenden waren elke soort knekel getooid met edelstenen, strikken, zilveren bloemen, opdat de Dag des Oordeels zoiets wordt  als een rinkelende parade van incomplete maar opgedirkte geraamtes. Kom liever buiten.</paragraph><paragraph>Daar lost de ochtendmist al op boven het veld: uitzicht op leven, zachte paarden, plaatsen waar mensen wonen, bomen die warmte</paragraph><paragraph>sparen voor de winter, vogels die door nieuw licht de  Ems oversteken naar het verre roepen  van vogels aan de andere kant. Pluk de dag die voor je ligt zolang het duren mag.</paragraph></body></article>
